klinische observaties – clinical observations

March, 7th, 2026

Contextualisatie van psychodynamische psychodiagnostiek

Men gaat in psychodynamische diagnostiek uit van drie kanalen van informatie over intrapsychische conflicten en thematiek: verbaal, non-verbaal en processen die begrepen worden in termen van projectieve identificatie. De aanname is dat, zolang de psychotherapeut voldoende leertherapie heeft gehad, men in belangrijke mate onderscheid kan maken tussen meer objectief te duiden tegenoverdracht en meer subjectief gekleurde tegenoverdracht. Wat grotendeels ontbreekt in opleiding en supervisie is de mogelijkheid dat relationele patronen die zich voordoen tussen psychotherapeut en patiënt, en tussen supervisor en supervisant, ook micro-sociale herhalingen of enactments kunnen zijn van patronen van systemisch racisme of ongelijke machtsverhoudingen, die de machtigere, vaak witte, analisten bevoordelen (Dan Burston, 2023).

Sociale, historische en politieke factoren worden binnen sommige benaderingen nog regelmatig gepositioneerd als rationalisaties, externalisaties of als vormen van weerstand tegen het erkennen van intrapsychische conflicten. Veel wordt immers begrepen binnen een object-relationeel kader, en afwijken daarvan kan worden gezien als problematisch voor de validiteit en betrouwbaarheid van psychodynamische diagnostiek. De therapiekamer wordt theoretisch soms opgevat als een relatief gesloten systeem waarin intrapsychische representaties worden geactiveerd, terwijl zij in werkelijkheid ook een sociale ruimte is waarin ras, klasse, gender, institutionele hiërarchieën en professionele macht voortdurend mede vormgeven aan de interactie.

Een werkelijk contextgevoelige psychodynamische diagnostiek zou daarom kaleidoscopisch meerdere niveaus gelijktijdig moeten analyseren: het intrapsychische niveau van identiteitsintegratie, kwaliteit van objectrelaties, kwaliteit van afweermechanismen en realiteitstoetsing, en het sociopolitieke niveau van raciale hiërarchieën, migratiegeschiedenissen, culturele dimensies, economische ongelijkheid en institutionele macht. Men kan zo zorgvuldiger beoordelen of wantrouwen, weerstand, antagonisme, terugtrekking, vermijding, gereserveerdheid, hyperwaakzaamheid, schaamte, woede, achterdocht, conformisme, pleasen, of ogenschijnlijke therapeutische impasses niet uitsluitend voortkomen uit intrapsychische conflicten of pathologie, maar ook begrepen moeten worden als contextueel gevormde reacties op reële ervaringen van uitsluiting, vernedering, racialisering, institutioneel wantrouwen en ongelijke machtsverhoudingen.

Wanneer impliciete stereotyperingen en onbewuste vooronderstellingen over ras, klasse of culturele achtergrond niet expliciet worden meegenomen in diagnostiek en supervisie, bestaat het risico dat zij ongemerkt infiltreren in de tegenoverdracht. Juist omdat deze processen zich vaak buiten het expliciet verbale domein afspelen, kunnen zij ervaren worden als “klinische intuïtie” of als ogenschijnlijk objectieve waarneming, terwijl zij in werkelijkheid mede gestructureerd zijn door bredere sociaal-symbolische kaders. Dit kan leiden tot een selectieve aandacht voor gedragingen die bestaande verwachtingen bevestigen, terwijl disconfirming informatie minder wordt opgemerkt of minder gewicht krijgt. In die zin kan een aandachtbias ontstaan, waarbij bepaalde affecten, houdingen of interactiepatronen bij de patiënt sneller worden gelabeld als weerstand, pathologie of gebrek aan mentaliserend vermogen, terwijl alternatieve, contextuele verklaringen onderbelicht blijven.

Vervolgens kan een confirmation bias deze initiële interpretatie verder bestendigen, doordat de therapeut geneigd is nieuwe informatie te integreren op een wijze die het bestaande klinische narratief ondersteunt. Op die manier raakt de tegenoverdracht vertroebeld: wat wordt ervaren als een reactie op de intrapsychische wereld van de patiënt, is dan mede een effect van impliciete sociale representaties en machtsverhoudingen die in de therapeut zelf werkzaam zijn. Het niet onderkennen van deze dynamiek kan ertoe leiden dat diagnostische conclusies en interventies onbedoeld bijdragen aan het reproduceren van precies die relationele en structurele ongelijkheden die zich ook buiten de therapiekamer voordoen.

February 19th, 2026

Ego-functies in hedendaagse ADHD-diagnostiek

In de hedendaagse ADHD-diagnostiek is de nadruk vrijwel volledig verschoven naar het cognitief-neuropsychologisch concept van executieve functies, terwijl het oudere psychodynamisch en ontwikkelingspsychologisch concept van ego functies grotendeels is verlaten. Deze verschuiving gaat voorbij aan het feit dat ego functies als affectregulatie, impulscontrole, frustratietolerantie, doorzettingsvermogen, en zelfreflectie niet autonoom ontstaan, maar zich in de vroege kindertijd ontwikkelen door interactie met primaire verzorgers en de bredere omgeving.

In deze vroege fase fungeert de primaire verzorger als een hulp-ego. Het jonge kind kan spanning, frustratie en opwinding nog niet zelfstandig reguleren en leent deze regulerende functies daarom van de ander. De verzorger helpt impulsen te begrenzen, gevoelens te benoemen, wachten te verdragen en ervaring te organiseren in tijd en betekenis. Wat aanvankelijk van buitenaf wordt gereguleerd, wordt zo stap voor stap een interne structuur.

Wanneer deze ontwikkelingscondities instabiel, onvoorspelbaar, vertroetelend, verwaarlozend of intrusief zijn, raakt het proces van internalisatie verstoord. Aandacht wordt georganiseerd rond dreiging in plaats van exploratie. Impulscontrole blijft afhankelijk van externe begrenzing. Emoties overspoelen het denken in plaats van erdoor gemoduleerd te worden. Behoeften moeten zonder veel moeite bevredigd worden, en fantasieën moeten zonder veel werk realiteit worden.

Wanneer executieve moeilijkheden voortkomen uit persoonlijkheidspathologie in plaats van ADHD, weerspiegelen zij daarom niet een primair defect in aandacht of planning, maar de wijze waarop het ego georganiseerd is rond het reguleren van affect, zelfwaardering en relaties. Moeilijkheden met concentratie, initiatief, volharding en organisatie zijn in dit geval geen primaire cognitieve tekorten, maar secundaire gevolgen van stoornissen in identiteitsintegratie, objectrelaties en affectregulatie (Kernberg & Yeomans, 2013).

Bij de narcistische persoonlijkheidsstoornis worden aandacht en planning ondergeschikt aan de regulatie van het zelfgevoel. Taken die bewondering beloven, bevestiging van bijzonderheid of moeiteloze superioriteit, kunnen met opvallende intensiteit en focus worden nagestreefd. Daarentegen roepen taken die het risico op falen impliceren vaak uitstelgedrag, desorganisatie of een plotseling verlies van initiatief op. Kernberg en Yeomans noemen dit een defensieve devaluatie van activiteiten die het grandioze zelfbeeld bedreigen. Wat eruitziet als gebrekkige planning of taakvermijding functioneert psychodynamisch als bescherming tegen narcistische krenking en schaamte.

Bij de borderline persoonlijkheidsstoornis zijn executieve functies sterk toestandsafhankelijk. Onder relatief rustige omstandigheden kunnen aandacht en organisatie redelijk intact lijken. Wanneer echter hechtingsangst, verlating of intense affecten worden geactiveerd, stort het reflectieve functioneren in. Affect overspoelt het denken, impulsen domineren en doelen verschuiven snel. De persoon verliest de continuïteit van het zelf in de tijd. Deze stoornissen zijn ingebed in identiteitsdiffusie en instabiele objectrelaties in plaats van in stabiele cognitieve tekorten (Kernberg & Yeomans, 2013).

Bij de vermijdende persoonlijkheidsstoornis ontstaan executieve problemen voornamelijk uit chronische angst en schaamte. Aandacht is voortdurend gericht op mogelijke afwijzing en vernedering, waardoor er minder psychische ruimte overblijft voor taakgerichte concentratie. Planning en volharding worden ondermijnd door anticiperende angst, wat leidt tot uitstel, terugtrekking en eindeloze voorbereiding zonder uitvoering.

Bij de obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis is het executieve functioneren niet deficient maar rigide overgecontroleerd. Plannen, organiseren en inhibitie zijn gebonden aan regels, perfectionisme en intolerantie voor onzekerheid. Dit veroorzaakt problemen met flexibiliteit, schakelen en prioriteiten stellen. Taken worden uitgesteld of eindeloos verfijnd omdat elke afwijking van het ideale plan angst oproept. Besluitvorming raakt verlamd door de eis van absolute perfectie. Het werkgeheugen raakt overbelast met regels en details. Het probleem ligt niet in te weinig controle, maar in te veel controle.

Bij de theatrale persoonlijkheidsstoornis zijn aandacht en motivatie primair gericht op emotionele en interpersoonlijke stimulatie in plaats van op volgehouden instrumentele doelen. Executieve functies zoals planning en taakvolharding worden ondergeschikt gemaakt aan de behoefte aan onmiddellijke respons, erkenning en affectieve impact. Hierdoor is men impulsief, gedesorganiseerd, snel verveeld, en aandacht voor details en punctualiteit wordt maar saai gevonden (MacKinnon, Michels & Buckley, 2015).

December 1st, 2025

Thematische Apperceptie Test en verschillende oorzaken voor Theory of Mind problemen

Problemen met Theory of Mind kunnen voorkomen in het kader van autisme, maar ook bij borderline PS, narcistische PS en psychotische stoornissen, maar om verschillende redenen:

Mensen met borderline PS kunnen:

– De intenties van anderen als negatiever of vijandiger interpreteren dan ze werkelijk zijn.
– Wisselen tussen idealiseren en devalueren van anderen op basis van waargenomen emotionele toestanden.
– Hypermentalisatie ervaren, een overinterpretatie van de emoties van anderen, waarbij complexe sociale signalen vaak verkeerd worden gelezen.
– Hypo-mentalisatie vertonen, moeite hebben met het herkennen of verwoorden van de mentale toestanden van anderen, wat kan leiden tot oppervlakkige of simplistische interpretaties van sociale situaties.
– Door hun intense angst voor verlating of versmelting kunnen zij de acties van anderen zien door een lens van afwijzing, verlating, versmelting of verraad, waarbij zij soms te veel betekenis toekennen aan sociale signalen (hypermentalisatie) of deze juist niet goed verwerken (hypo-mentalisatie).

Mensen met een narcistische PS hebben vaak een beperkt empathisch vermogen en richten zich vooral op hun eigen behoeften, wat hun capaciteit om de emoties of intenties van anderen te begrijpen beperkt. Zij kunnen:

– Egocentrische ToM vertonen, waarbij ze de emoties van anderen begrijpen, maar deze kennis gebruiken om hun eigen superioriteitsgevoel te versterken of te manipuleren.
– Moeite hebben met empathie, tenzij het hun eigen belangen dient, en zien relaties vaak als transactioneel.
– De emotionele behoeften van anderen verkeerd interpreteren of negeren omdat ze gericht zijn op het valideren van hun zelfbeeld of het beschermen van hun fragiele zelfwaarde.

Mensen met ASS hebben vaak moeite met sociale communicatie en het begrijpen van non-verbale signalen, wat uitdagingen in ToM met zich meebrengt. Zij kunnen:

– Moeite hebben om de emoties of intenties van anderen af te leiden, vooral in genuanceerde of onuitgesproken situaties.
– Moeite hebben met het herkennen van subtiele sociale signalen, sarcasme of figuurlijk taalgebruik.
– Mindblindness ervaren, waarbij ze het moeilijk vinden om te voorspellen of te begrijpen wat iemand anders denkt of voelt.

Psychotische stoornissen worden vaak gekenmerkt door verstoord denken en wanen, wat ToM ernstig kan aantasten. Mensen kunnen:

– Paranoïde wanen ervaren, waardoor ze de intenties van anderen als kwaadwillig of bedreigend interpreteren.
– Last hebben van onsamenhangend denken, wat hun vermogen om sociale normen en de mentale toestanden van anderen te volgen of af te leiden verstoort.
– In extreme gevallen kunnen zij tijdens psychotische episodes het vermogen tot ToM volledig verliezen, waardoor zij de werkelijkheid niet meer kunnen onderscheiden en de emoties of perspectieven van anderen niet accuraat kunnen waarnemen.

August 1st, 2025

Over emotioneel afwezige moeders – On emotionally absent mothers

Door de jaren heen behandel ik vrouwen uit uiteenlopende culturele contexten die aangeven dat zij, veelal onder grote sociale druk, moeder zijn geworden zonder een intrinsiek verlangen daartoe te hebben ervaren. Het moederschap werd benaderd vanuit een diepgeworteld gevoel van plicht of schuld, eerder dan vanuit een authentieke emotionele afstemming op het kind.

Opvallend is dat hun inmiddels volwassen kinderen steevast aangeven zich nooit werkelijk emotioneel verbonden te hebben gevoeld met hun moeder. Er was sprake van zorg en praktische ondersteuning – maar geen affectieve resonantie of gevoelde spiegeling. Sommige moeders zijn oprecht verbaasd hierover: ze hebben toch “alles gegeven”? Anderen zeggen: “Als ik heel eerlijk ben, voel ik eigenlijk niets voor mijn kind.”

Wanneer deze vrouwen zich openstellen voor langdurige psychotherapie, wordt duidelijk dat er bij een deel sprake is van structurele tekorten in het vermogen tot mentaliseren. In de tegenoverdracht ervaar ik regelmatig gevoelens van afstand, verwarring of leegte – wat inzicht biedt in het affectieve klimaat waarin het kind is opgegroeid.

Via psychodiagnostiek worden vaak onderliggende patronen zichtbaar: beperkingen in empathisch vermogen, alexithymische of autistiforme trekken, of (covert) narcistische dynamieken waarbij het kind functioneert als verlengstuk van het zelf. Soms is er sprake van schizoïde trekken: nabijheid wordt als bedreigend ervaren, wat leidt tot affectieve terugtrekking ter bescherming tegen fragmentatie.

Sommigen tonen kenmerken van een onrijpe of infantiele persoonlijkheid, zoals beschreven door Kernberg (1975, 1984): een zwak geïntegreerd zelfbeeld, primitieve afweermechanismen en beperkte innerlijke reflectie. Het kind dient dan als symbiotisch object voor zelfregulatie, en als bedreiging zodra het zich differentieert.

Bij een andere groep vrouwen is er eerder sprake van neurotische conflicten. Zij worstelen met ambivalentie rond autonomie, eigenwaarde of het doorbreken van intergenerationele patronen.

Een deel van deze vrouwen draagt de littekens van vroegkinderlijk trauma met zich mee, vaak gepaard met onveilige hechting. Door een gebrek aan affectieve beschikbaarheid van hun eigen ouders hebben zij nooit een veilig intern model van intimiteit kunnen ontwikkelen.

Daarnaast zijn er vrouwen bij wie de emotionele afstand niet voortkomt uit structurele problematiek, maar eerder uit chronische overbelasting, migratiestress, postnatale depressie of aanhoudende partnerrelatieproblemen.

We koesteren het ideaalbeeld dat moeders van nature empathisch, invoelend en beschikbaar zijn. Wanneer de innerlijke wereld echter gekwetst, gefragmenteerd of onvoldoende ontwikkeld is, fungeert het moederschap niet als bron van verbinding, maar als herhaling van onverwerkte innerlijke conflicten. In psychotherapie is bij een deel van de vrouwen een toename in reflectief vermogen mogelijk, mits gepaard met acceptatie van beperkingen in empathie en intimiteit.

July 20th, 2025

Over de as-if persoonlijkheid – On the as-if personality

In het boek ‘The As-if Personality Revisited’ van Sherwood & Cohen (1994) wordt beschreven hoe sommige patienten door zeer gebrekkige spiegeling in kritieke fasen van de ontwikkeling geen ‘false self’, maar ‘no self’ ontwikkelen.

De auteurs benadrukken dat er in deze gevallen géén sprake is van een overaangepast onecht zelf, maar van een volstrekt leeg zelf: “There is no false self because there is no true self to uncover”.

Zij beschrijven dat je na enkele maanden psychotherapie met dit type patient tot de verontrustende ontdekking komt dat er eigenlijk maar één persoon in de kamer is. De patient tegenover je is niet meer dan een perfect afgestemde kameleon die al naar gelang de eisen van de omgeving van personage verandert.

Ik ben dit type patient slechts een enkele keer tegengekomen. Het betrof een man die elke paar jaar een constellatie van eigenschappen, opvattingen en omgangsvormen kopieerde waarmee hij een tijd vooruit kon, als een tijdelijke jas, om daarna naarstig op zoek te gaan naar een nieuw script over wie hij kon zijn.

Ik kom veel vaker de false-self patiënten tegen die losgekoppeld zijn van hun emoties, verlangens, en individualiteit. Via psychotherapie kunnen zij geleidelijk contact maken met deze lagen, maar blijven intussen door vrees voor afwijzing erg angstig en inschikkelijk. Om te ontdekken wat zij zelf willen, is het eerst nodig dat ze geinteresseerd raken in zichzelf.

Of er is bij hen sprake van een hele succesvolle, fantastische en aantrekkelijke buitenkant, waarbij zij op maatschappelijk vlak excelleren, maar zich van binnen leeg, vervreemd en latent suicidaal voelen.

March 14th, 2025

Over narcistische woede – On narcissistic rage

Een deel van de patiënten die ik zie, rapporteert fantasieën over roem, rijkdom en succes. Ik ben dan nieuwsgierig naar de drijfveren hierachter, in hoeverre dit intrinsiek gemotiveerd is en, vooral, welke stappen men onderneemt om richting het geïdealiseerde leven te komen.

Zoals Elsa Ronningstam stelt, kun je narcistische fantasieën zien als een energie, een potentieel, een motivational force. Of zoals Diana Diamond stelt: we hebben allemaal narcistische behoeften (“the desire for mastery, the desire to shine, the desire to be recognized by one’s colleagues, friends and partners”).

Door onder andere sociale media wordt men dagelijks blootgesteld aan ultrarijke, knappe en succesvolle anderen, wiens levensstijl vaak jaloezie oproept en tot eindeloos vergelijken leidt. Het brein lijkt niet goed onderscheid te kunnen maken tussen fantasie (zorgvuldig bewerkte foto’s) en realiteit. Dit voedt de illusie dat iedereen succes, rijkdom en het ideale uiterlijk kan bereiken met voldoende inzet.

Ik maak me zorgen wanneer patiënten uitsluitend op fantasie leunen en zij in feite al zijn samengesmolten met het ideale zelf. Men is dan beledigd en woedend over het feit dat dat ‘ideale leven’ er nog niet is, dat men ondertussen ‘maar heel gewoon is’, en dat men er moeite voor zou moeten doen.

Er kan dan sprake zijn van zogeheten (verborgen) narcissistic rage: een mix van agressie en afgunst waarbij het succes van anderen het zelfgevoel ernstig onder druk zet. Dit leidt tot depressie-klachten, chronisch klagen, een gespleten beeld van het zelf en anderen, en overcompensatie met een ‘grandioze zelf-structuur’.

Karen Horney vat dit prachtig samen:

“Briefly, when an individual shifts his center of gravity to his idealized self, he not only exalts himself but also is bound to look at his actual self – all that he is at a given time, body, mind. There is the unique, ideal person; and there is an omnipresent stranger (the actual self), always interfering, disturbing, embarrassing. The glorified self becomes not only a phantom to be pursued; it also becomes a measuring rod with which to measure his actual being. And this actual being is such an embarrassing sight when viewed from the perspective of a godlike perfection that he cannot but despise it. Moreover, what is dynamically more important, the human being which he actually is keeps interfering – significantly – with his flight to glory, and therefore he is bound to hate it, to hate himself.”

November 9th, 2024

Over reparatie-fantasieën – on reparative fantasies

In de context van migratie rapporteren sommige patienten ‘reparatie-fantasieën’ waarbij zij in het kader van de ‘migratie-taak’ willen repareren wat de ouders ondergaan hebben (i.e trauma’s), of herwinnen wat de ouders hebben verloren (een nostalgisch ideaal ‘thuisland’, jeugd, schoonheid, vitaliteit, status en succes).

Patienten denken door maar heel hard te werken dat ze de ouder ‘weer gelukkig’ kunnen maken en ‘tot leven’ kunnen brengen. Men raakt dan verward wiens dromen en aspiraties zij nastreven, wat intergenerationeel doorgegeven wordt, en wat men zelf eigenlijk wil.

Ouders kunnen hun eigen onvervulde ambities en verlangens projecteren op hun kinderen. Wanneer de kinderen deze kansen benutten, kunnen bij de ouders ook gevoelens van spijt en jaloezie ontstaan, omdat de ouders deze ervaringen niet zelf hebben kunnen verwezenlijken. De ouders rouwen niet alleen om wat ze fysiek hebben achtergelaten (zoals hun thuisland), maar ook om de levens die ze niet hebben kunnen leiden. De successen van hun kinderen kunnen deze onverwerkte rouw naar boven brengen. Hierbij kunnen de kinderen zich schuldig gaan voelen over hun succes.

Volgens Volkan (1968) kan men in deze context nachtelijke ‘satellietdromen’ ervaren die als het ware ‘circuleren’ rond een centraal thema van gedeeld trauma, verlies of identiteit, vaak gerelateerd aan de relatie van het individu met hun culturele of nationale groep. Deze dromen dienen vaak als een onbewuste poging om collectieve rouw, nostalgie of onopgeloste conflicten met betrekking tot identiteit, verbondenheid of ontworteling te verwerken.

November 2nd, 2024

Over de masochistische persoonlijkheid – On the masochistic personality

Over de masochistische patiënt schrijven MacKinnon, Michels & Buckley (2016) dat dit type patiënt mentale en fysieke pijn opzoekt, niet vanuit een bewuste zoektocht naar leed of genot van pijn, maar vanuit een onbewuste poging om een emotionele connectie met een gewelddadige of misbruikende ouder te behouden.

De optie om de gewelddadige of misbruikende ouder te verliezen, is namelijk nog veel pijnlijker. Het jonge kind is volledig afhankelijk van deze ouder voor zijn of haar voortbestaan.

Het hechtingssysteem raakt in de volwassenheid dan alleen geactiveerd bij een sadistische partner die liefde en pijn afwisselt. Je ziet dan de kenmerkende slachtoffer-dader-, sado-masochisme-, en redder-hulpeloze dynamieken steeds terugkeren in hun intieme relaties.

Kenmerken van een masochistische persoonlijkheid betreffen onder andere het opzoeken en herhalen van leed, overmatige zelfopoffering en onderwerping, zelfsabotage, en masochistische seksuele fantasieën over vernedering, afwijzing en dwang.

Daarnaast speelt er ‘superego relief’, waarbij men voor het ‘slechte’ in zichzelf door bestraffing of boetedoening aan de eisen van het superego voldoet, en waarbij ‘controle’ over de sadistische ander als het ware een manier biedt om de hulpeloosheid uit de kindertijd op te heffen.

Naast aanvankelijke empathie en zorg roept het patroon van slachtofferschap bij de clinicus gaandeweg steeds meer irritatie en afkeer op, waarbij de clinicus zich ervan bewust wordt dat het klagen van de patiënt over zijn of haar leed in feite opscheppen is.

October 28th, 2024

Over de histrionische persoonlijkheidsstoornis – About the histrionic personality disorder

Er is veel verwarring over de precieze definitie van de histrionische (theatrale) persoonlijkheidsstoornis.

McWilliams (2011) beschrijft hoe meisjes in veel culturen vroeg leren dat mannen meer macht en waarde toegekend krijgen dan vrouwen. Wanneer meisjes positieve aandacht krijgen is het vaak voor oppervlakkige externe eigenschappen als schoonheid, of voor ‘onschuldig’ en ‘aardig’ zijn.

Ouders van deze patienten waren vaak inconsistent in hun aandacht en genegenheid en waardeerden het kind primair om externe factoren, zoals fysieke schoonheid, charisma of prestaties, in plaats van om wie het kind intrinsiek is.

Het kind leert dat aandacht krijgen geen vanzelfsprekendheid is en ontwikkelt strategieën, zoals charmant, dramatisch of emotioneel overdadig gedrag. Het kind moet zichzelf “presenteren” om gehoord of gezien te worden. Dit kan leiden tot een oppervlakkig zelfbeeld en een sterke afhankelijkheid van externe validatie.

Volgens Shedler (2021) liggen daarom in de kern van de hysterisch-histrionische persoonlijkheid conflicten rondom gender en macht. Onbewust zien zij hun eigen gender als zwak, gebrekkig of minderwaardig. Ze zien het andere gender als krachtig, opwindend en beangstigend, en voelen onbewust afgunst. Ze gebruiken seksualiteit als een manier om de rollen om te draaien en macht te krijgen over het andere gender.

Volgens MacKinnon, Michels & Buckley (2016) wordt de histrionische persoonlijkheid in het verlengde hiervan gekenmerkt door zelfdramatisering, manipulatie, emotionaliteit, verleiding, afhankelijkheid en hulpeloosheid, non-compliance, zelfgenoegzaamheid, suggestibiliteit en seksuele problemen.

Deze patienten zijn vaak aantrekkelijk en ogen jonger dan hun kalenderleeftijd. De vrouwen zijn meestal hyperfeminiene en de mannen hypermasculine. De vrouwelijke histrionische patient wordt meestal door mannelijke hulpverleners als aantrekkelijk gezien, maar roept afkeer op bij vrouwelijke hulpverleners, en vice versa. Deze gender split in het team is vaak indicatief voor histrionische thematiek.

Dominante afweermechanismen betreffen onder andere dagdromen en fantaseren, verleiding en oppervakkige warmte als bescherming tegen kwetsbaarheid en afwijzing, toneelspel en rollenspel als manieren om niet echt deel te nemen aan het leven, somatisatie en conversie als manieren om emoties en impulsen weg te houden, en ontkenning van pijnlijke emoties.

Fysieke nabijheid is een vervanging voor emotionele nabijheid, en zij gebruiken het lichaam primair voor het krijgen van aandacht, adoratie en bescherming, in plaats van echte emotionele diepgang en verbinding aangaan. Hun tragiek is dat ze verlangen naar een zorgzame relatie, maar in plaats daarvan seksuele relaties vinden.

September 18th, 2024

Over veilige hechting en monogamie vs polyamorie – On secure attachment and monogamy vs polyamory

Ik zie veel jonge mensen die in intellectuele zin bevangen raken door het idee van polyamorie, en aan de hand van verscheidene populaire boeken over het onderwerp voortvarend ermee aan de slag gaan.

Vaak definiëren deze cliënten monogamie op wat eenzijdige wijze: dat het gelijkstaat aan ‘het verliezen van jezelf en het bezitten van de ander’, en zij halen dan deskundigen aan als Esther Perel die zou stellen dat er ook voldoende mysterie, autonomie en afstand moet zijn.

Vervolgens zie ik bij een deel van deze patiënten – met ernstige zelfbeeld-problematiek en hechtings-problematiek – dat het daadwerkelijk ondergaan van non-monogamie dermate ontregelend is dat het leidt tot zelfbeschadiging, suïcidale gedachten en zelfs psychotische ontregeling.

Ik zou haast een disclaimer adviseren die benadrukt dat het aangaan van deze relatievormen vraagt om een basis van relatief veilige hechting, een genuanceerd zelfbeeld en goede emotieregulatie. Natuurlijk kunnen jonge mensen deze vaardigheden juist in de praktijk van non-monogamie versterken, maar er wordt in dit soort literatuur nog weinig gerefereerd aan bestaande psychopathologie en de uitwerking die dit kan hebben.

De andere kant is dat binnen psychotherapie scholen non-monogamie automatisch als ‘verdunde intimiteit’ wordt gelabeld, of primair als een uiting van bijvoorbeeld borderline of narcistische problematiek, en deze jonge mensen onvoldoende steun en begeleiding krijgen wanneer zij het in therapie aankaarten. Het kan helpen om hen een rijkere definitie te bieden van zowel monogamie als polyamorie, dat verder rijkt dan ‘bezitten’ of ‘verdunde intimiteit’.

September 16th, 2024

Over doodsangst – On death anxiety

Volgens Irvin Yalom is doodsangst vaak impliciet aanwezig in psychische klachten, zelfs als deze niet expliciet door patienten wordt benoemd. Veel patienten vinden het moeilijk om direct over hun doodsangst te praten.

Yalom pleit daarom voor een indirecte benadering, waarbij doodsangst wordt verkend via dromen, symboliek of terugkerende thema’s in het leven van de patient. Hij moedigt therapeuten aan om alert te zijn op impliciete uitingen van doodsangst, zoals de angst om betekenisloos te zijn, hoarding (vast houden aan bezittingen om zich symbolisch tegen de vergankelijkheid van het bestaan te verzetten), workaholism (een poging om “onsterfelijk” te worden door nalatenschap), diepgaande relaties vermijden uit angst voor pijn bij potentieel verlies, en een excessieve focus op plastische chirurgie, fitness en anti-aging skincare.

In dit kader een prachtige tekst van Ann Druyan (partner van Carl Sagan):

“When my husband died, because he was so famous and known for not being a believer, many people would come up to me – it still sometimes happens – and ask me if Carl changed at the end and converted to a belief in an afterlife. They also frequently ask me if I think I will see him again. Carl faced his death with unflagging courage and never sought refuge in illusions. The tragedy was that we knew we would never see each other again. I don’t ever expect to be reunited with Carl. But, the great thing is that when we were together, for nearly twenty years, we lived with a vivid appreciation of how brief and precious life is. We never trivialized the meaning of death by pretending it was anything other than a final parting. Every single moment that we were alive and we were together was miraculous – not miraculous in the sense of inexplicable or supernatural. We knew we were beneficiaries of chance. That pure chance could be so generous and so kind. That we could find each other, as Carl wrote so beautifully in Cosmos, you know, in the vastness of space and the immensity of time. That we could be together for twenty years. That is something which sustains me and it’s much more meaningful. The way he treated me and the way I treated him, the way we took care of each other and our family, while he lived. That is so much more important than the idea I will see him someday. I don’t think I’ll ever see Carl again. But I saw him. We saw each other. We found each other in the cosmos, and that was wonderful.”